
Patroon
Rupsje Nooitgenoeg haken: gratis patroon met beweegbaar lijf
Haak een kleurrijk Rupsje Nooitgenoeg met restjes garen, tien lijfsegmenten en een beweegbare vorm. Inclusief materialen, steken en afwerking uit het Nederlandstalige patroon van Birdie* haakt.
Van inspiratie naar maken
Wil je dit later maken?
Bewaar dit eerst. Daarna kun je het als persoonlijk project starten, materialen afvinken en notities toevoegen.
Rupsje Nooitgenoeg is een vrolijk haakproject met een gerimpeld lijf, verschillende kleuren en een beweegbare vorm. Het patroon van Birdie* haakt gebruikt restjes garen, een haaknaald van 2,5 mm en een kort stuk buigzaam draad. Wie het draad liever weglaat, kan de rups ook zonder beweegbaar lijf maken.
Benodigdheden
- Restjes garen: drie tot vier kleuren groen voor het lijf, rood voor de kop, geel en donkergroen voor de oogjes, mosgroen voor mondje en pootjes en paars voor de voelsprieten
- Een stukje elektriciteitsdraad of ander buigzaam draad van 25 cm
- Haaknaald 2,5 mm
- Stopnaald
- Vulling
De kleuren hierboven volgen de bron. De hoeveelheid garen wordt niet vermeld; volgens de maker zijn restjes voldoende. Gebruik voor een kinderproject alleen draad dat volledig omsloten en stevig vastgezet kan worden. Het buigzame draad is een constructiedetail uit de bron, geen noodzakelijk onderdeel van het patroon.
Het lijf haken
Je begint bij de staart en haakt in rondes. De afkorting v staat voor vaste. Wissel na toer 5, na toer 10 en na toer 16 van kleur. Daarna herhaal je de laatste zes toerreeksen nog zeven keer, telkens met een nieuwe kleur.
- Toer 1: 6 v in een magische ring.
- Toer 2: 2 v in elke v (12 steken).
- Toer 3: 2 v in elke tweede v (18 steken).
- Toer 4: 18 v.
- Toer 5: haak elke tweede en derde v samen (12 steken).
- Toer 6: 2 v in elke tweede v, in de voorste lussen (18 steken).
- Toer 7: 2 v in elke derde v (24 steken).
- Toer 8: 24 v.
- Toer 9: haak elke derde en vierde v samen (18 steken).
- Toer 10: haak elke tweede en derde v samen (12 steken).
- Toer 11: 2 v in elke tweede v, in de voorste lussen (18 steken).
- Toer 12: 2 v in elke derde v (24 steken).
- Toer 13: 2 v in elke vierde v (30 steken).
- Toer 14: haak elke vierde en vijfde v samen (24 steken).
- Toer 15: haak elke derde en vierde v samen (18 steken).
- Toer 16: haak elke tweede en derde v samen (12 steken).
Herhaal toer 11 tot en met 16 nog zeven keer. Het lijf bestaat dan uit tien segmenten.
De kop en de beweegbare rups
Haak de kop met rood garen:
- Toer 1: 6 v.
- Toer 2: 2 v in elke v (12 steken).
- Toer 3: 2 v in elke tweede v (18 steken).
- Toer 4: 2 v in elke derde v (24 steken).
- Toer 5: 2 v in elke vierde v (30 steken).
- Toer 6 tot en met 8: 30 v.
- Toer 9: haak elke vierde en vijfde v samen (24 steken).
- Toer 10: haak elke derde en vierde v samen (18 steken).
- Toer 11: haak elke tweede en derde v samen (12 steken).
Buig de uiteinden van het draad tot kleine oogjes. Keer het lijf tijdelijk binnenstebuiten, bevestig de begindraad aan één oogje en keer het lijf weer terug. Vul het lijf op. Vul ook de kop, schuif die over het andere uiteinde van het draad en zet de einddraad aan het tweede oogje vast. Naai de kop op het lijf. Doordat het draad iets korter is dan het lijf, ontstaat de rimpeling.
Oogjes, voelsprieten en pootjes
Haak twee oogjes. Begin met donkergroen: 4 v in een magische ring. Laat bij de kleurwissel de laatste doorhaling van de eerste toer achterwege; maak die doorhaling met geel. Haak daarna in de achterste lussen: 3 v in de eerste v, 1 v in de volgende, 3 v in de volgende en 1 v in de laatste (8 steken). Naai de oogjes op de kop en borduur met mosgroen een driehoekig neusje.
Voor elke voelspriet haak je met paars 7 lossen. Haak terug over de ketting met 3 v en 3 halve v. Maak er twee en naai ze op de kop.
De pootjes maak je met mosgroen:
- Toer 1: 6 v in een magische ring.
- Toer 2: 2 v in elke tweede v (9 steken).
- Toer 3: 9 v in de achterste lussen.
- Toer 4: haak elke tweede en derde v samen (6 steken).
- Toer 5: haak elke twee v samen (3 steken).
Haak zes pootjes. Naai er twee op het eerste segment, twee op het tweede segment en twee op het op twee na laatste segment.
Afwerking
Werk de draden netjes weg en controleer alle naden. Buig de rups in de gewenste vorm. Laat je het draad weg, dan blijft het lijf minder goed in model maar is het project eenvoudiger. De bron noemt geen vaste eindmaat of moeilijkheidsgraad; die gegevens zijn daarom niet toegevoegd.
