Nijntje wagenspanner haken: gratis patroonoverzicht

Patroon

Nijntje wagenspanner haken: gratis patroonoverzicht

9 augustus 20264 min lezenGevorderd

Haak een Nijntje wagenspanner met duidelijke onderdelen, materialen en een overzichtelijke opbouw uit het patroon van Iefke Meijer.

Van inspiratie naar maken

Wil je dit later maken?

Bewaar dit eerst. Daarna kun je het als persoonlijk project starten, materialen afvinken en notities toevoegen.

Bekijk bewaarde ideeën

Deze Nijntje wagenspanner bestaat uit gehaakte onderdelen, rammelballen en een elastisch koord. Het patroon van Iefke Meijer beschrijft de onderdelen afzonderlijk en werkt daarna toe naar het samenstellen van de wagenspanner. Hieronder staat een brongetrouw patroonoverzicht met de materialen, de belangrijkste opbouw en de afwerking. Voor de volledige toer-voor-toerbeschrijving kun je het originele patroon raadplegen.

Benodigdheden

  • Haakkatoen in wit, zwart en enkele kleuren, bij voorkeur restjes
  • Haaknaald passend bij het garen, ongeveer 2 of 2,5 mm
  • Vulling
  • Zes knikkers of ander materiaal om de voetjes te verzwaren
  • Drie rammelballen
  • Elastisch koord van 1 meter
  • Twee koordstoppers
  • Twee speenclips

De bron noemt deze onderdelen expliciet. De precieze hoeveelheid haakkatoen en de afmetingen van de afgewerkte wagenspanner worden niet vermeld. Gebruik daarom het originele patroon voor de volledige materiaalkeuze en controleer vooraf of alle onderdelen van jouw uitvoering bij elkaar passen.

Afkortingen en haakwijze

In het patroon worden onder meer deze Nederlandse afkortingen gebruikt: l voor losse, hv voor halve vaste, v voor vaste, hst voor half stokje en stk voor stokje. Meerderen betekent dat je twee vasten in één steek haakt. Minderen gebeurt door twee steken samen te haken.

Het hoofd, de oren en de armen worden in het rond gehaakt. Gebruik een marker om het begin van een toer terug te vinden. De benen en het lichaam worden eveneens rond gehaakt, maar daar begint iedere toer met één losse en sluit je af met een halve vaste in de eerste steek. Laat na het afhechten voldoende draad over om de onderdelen aan elkaar te naaien.

Hoofd en oren

Het hoofd begint niet in een magische ring. Je haakt aan beide kanten van een ketting van vijf lossen, waardoor een ovale vorm ontstaat. Volgens het patroon helpt die vorm om de oren rechter op het hoofd te plaatsen.

Je werkt het hoofd op van twaalf naar 42 steken door op vaste plaatsen te meerderen. Daarna volgen enkele rechte toeren. In het tweede deel van het hoofd minder je volgens de aangegeven steekposities terug naar 18 steken en sluit je het onderdeel met een halve vaste. De exacte volgorde en steekposities staan in de oorspronkelijke beschrijving.

De oren worden met wit garen gehaakt. Ze beginnen met twee lossen en vijf vasten in de tweede losse vanaf de naald. Na een meerdertoer haak je enkele rechte toeren en sluit je het oor met een halve vaste. Laat een draad over om het oor later aan te naaien. Maak twee gelijke oren.

Benen en lichaam

Haak twee benen. Elk been begint met drie lossen en wordt aan beide kanten van de lossenrij opgebouwd. Na de eerste meerderingen haak je enkele toeren recht. De twee benen worden vervolgens met elkaar verbonden; vanaf dat moment ontstaat het lichaam in één geheel.

Het lichaam wordt in de nieuwe kleur verder gehaakt. Door afwisselend vaste toeren, meerderingen en minderingen ontstaat de vorm. Het patroon beschrijft onder meer een opbouw naar 36 steken en daarna een geleidelijke afname tot een gesloten bovenkant. Laat ook hier een langere draad over voor het vastzetten van het onderdeel.

Armen, kraagje en balletjes

De armen beginnen met twee lossen en zes vasten. Na een meerdertoer haak je rechte toeren en minder je aan het einde terug naar zes steken. Maak twee armen en laat een draad over voor de montage.

Het kraagje bestaat uit een ketting van 24 lossen plus een keerlosse. Met halve vasten, vasten, halve stokjes en stokjes krijgt het kraagje zijn gebogen vorm. Laat een draad over om het later rond de hals van Nijntje vast te maken.

De balletjes worden in verschillende kleuren gehaakt. Ze beginnen met zes vasten, groeien door meerderingen naar 18 steken en worden daarna weer gesloten. Het patroon vermeldt een kleine hoeveelheid vulling en een opening die groot genoeg blijft om het elastiek door te voeren.

Samenstellen en afwerken

Na het haken werk je de onderdelen af en naai je hoofd, oren en armen aan het lichaam. De voetjes worden volgens de bron verzwaard met knikkers of een vergelijkbaar materiaal. De rammelballen worden in de gehaakte onderdelen verwerkt. Daarna rijg je de onderdelen aan het elastische koord en gebruik je de koordstoppers en speenclips om de wagenspanner samen te stellen.

De bron geeft geen aparte maatvoering voor de uiteindelijke wagenspanner. Volg daarom de volgorde en bevestigingspunten uit het originele patroon en controleer tijdens het samenstellen of de onderdelen gelijkmatig verdeeld zijn. Borduur eventuele details met zwart garen en werk alle draden zorgvuldig weg.

Bron: Bekijk het originele patroon bij Iefke Meijer